datum : 1 februari 2005
De centrale stelling van dit tweede artikel is dat elke kerkdienst het heilig avondmaal veronderstelt (G. van der Leeuw). De gemeenschap der heiligen heeft een permanent en exclusief genadekarakter gegeven. Permanent, d.w.z. dat er nooit een moment mag bestaan in de geschiedenis van de kerk tussen de tijden dat de kerk de indruk zou mogen wekken dat je bij het volk van God kunt horen buiten de Gekruisigde om. Exclusief, d.w.z. dat wie niet de dood des Heren wil verkondigen als de enige grond van zijn heil geen deel aan Hem heeft. Dan kan het dus niet zo zijn dat de kerk vooral uitnodigend en vooral niet afwijzend, vooral aantrekkelijk, maar vooral niet onaantrekkelijk, vooral uitbundig, maar vooral niet ingetogen moet zijn. Het is mij erom te doen dat de eredienst niet zozeer aantrekkelijk, als wel intrigerend moet zijn. Oók voor belangstellenden van buiten. Het is de dood in de pot, allereerst voor de gemeente zelf en dan ook voor hen die buiten staan, als de eredienst een gearriveerde sfeer ademt. Want 1. wij leven van genade en 2. wij zijn nog onderweg. Kerkdiensten moeten geen vraagtekens wegnemen, maar ze doen rijzen: Wat wil dit toch zeggen?, want: Wie is toch Deze? Die vraagtekens zingen we niet weg. Ze brengen ons juist tot de lofzang van Maria: “Mijn ziel maakt groot de Here, omdat grote dingen aan mij gedaan heeft de Machtige”.